Spelregels Bijlage 4
Bijlage 4 · Versie 1.4, augustus 2026

Speelveld & uitrusting

De volledige Nederlandse bepalingen over het speelveld, de doelen, de bal, caps en zichtbare klokken. De regelnummers op deze pagina horen bij Bijlage 4.

SPEELVELD

1.1

De organiserende instantie (KNZB: ontvangende vereniging) is verantwoordelijk voor de juiste afmetingen en markeringen van het speelveld en zorgt voor al het vereiste wedstrijdmateriaal.

1.2

De uitrusting en markeringen van het speelveld voor een wedstrijd onder leiding van twee scheidsrechters moet in overeenstemming zijn met onderstaand schema: Grenslijnen vanaf de doelpalen, met een lengte van 2 meter, zijn rood gemarkeerd om de doelgebieden te onderscheiden (8.10)

De vier bronillustraties zijn nog niet beschikbaar. De tekst van deze bijlage is hieronder volledig te lezen.

1.3

Bij een wedstrijd onder leiding van één scheidsrechter, fungeert de scheidsrechter aan dezelfde kant als de jurytafel, en de assistent-scheidsrechters aan de andere kant.

1.4

Voor evenementen van World Aquatics zijn de afmetingen van het speelveld, de waterdiepte en - temperatuur en de lichtintensiteit uiteengezet in Hoofdstuk18.

1.5

Aan beide zijden van het speelveld worden duidelijk te onderscheiden markeringen aangebracht om het volgende aan te duiden:

(a) witte markeringen - doellijn en middenlijn

(b) rode markeringen - 2 meter van de doellijnen

(c) gele markeringen - 6 meter van de doellijnen

(d) een rode markering wordt op 5 meter van de doellijnen geplaatst om het punt aan te geven van waar een strafworp wordt genomen

De beide zijden van het speelveld zijn vanaf de doellijn tot de 2-meterlijn rood gemarkeerd; van de 2 meter lijn tot de 6 meter lijn geel gemarkeerd en van de 6 meter lijn tot de middenlijn groen gemarkeerd.

1.6

Aan elk uiteinde van het speelveld, 2 meter van de hoek van het speelveld aan de kant tegenover de jurytafel, wordt een rode markering geplaatst om het terugkomvak aan te geven.

1.7

Er moet voldoende ruimte zijn om de scheidsrechters in staat te stellen vrij te bewegen van het ene naar het andere einde van het speelveld. Bij de doellijnen moet ook ruimte zijn voor de assistent-scheidsrechters.

1.8

De secretaris beschikt over aparte witte, blauwe, rode en gele vlaggen met de afmetingen 0,35 meter x 0,20 meter.

DOELEN

2.1

Twee doelpalen en een dwarslat, stevig en haaks op elkaar gemonteerd, aan de voorkant 0,075 meter breed en wit geverfd, worden op de doellijnen aan elk einde van het speelveld geplaatst, op gelijke afstand van de zijkanten van het speelveld en op minimaal 0,30 meter voor het einde van het speelveld.

2.2

De binnenzijden van de doelpalen moeten 3 meter uit elkaar staan. Bij een waterdiepte van 1,50 meter of meer bevindt de onderkant van de dwarslat zich op 0,90 meter van het wateroppervlak. Als het water minder dan 1,50 meter diep is, bevindt de onderkant van de dwarslat zich op 2,40 meter van de bodem van het bad.

2.3

Aan de doelpalen en de dwarslat moeten loshangende netten stevig worden vastgemaakt. De netten moeten de hele doelruimte omsluiten en zodanig aan de doelbevestigingen worden bevestigd dat er overal in het doel minimaal 0,30 meter vrije ruimte achter de doellijn is.

BAL

3.1

De bal moet rond zijn en een luchtkamer hebben met een zelfsluitend ventiel. De bal moet waterdicht zijn, zonder opgelegde naden en vrij van vet of soortgelijke substantie.

3.2

Het gewicht van de bal is minimaal 400 gram en maximaal 450 gram.

3.3

Voor herenwedstrijden is de omtrek van de bal minimaal 0,68 meter en maximaal 0,71 meter, en is de druk 7,5 tot 8,5 PSI.

3.4

Voor dameswedstrijden is de omtrek van de bal minimaal 0,65 meter en maximaal 0,67 meter, en is de druk 6,5 tot 7,5 PSI.

CAPS

4.1

Caps moeten een contrasterende kleur hebben, anders dan egaal rood, goedgekeurd door de scheidsrechters, maar ook contrasterend met de kleur van de bal. Een team kan door de scheidsrechters worden verplicht om witte of blauwe caps te dragen. De keepers dragen rode caps met nummers en/of oorbeschermers in dezelfde kleur als de caps van hun teamleden. Caps moeten onder de kin worden vastgemaakt. Als een speler de cap tijdens het spel verliest, moet de speler deze weer opzetten bij de eerstvolgende geschikte spelonderbreking wanneer het team van de speler in balbezit is. Caps moeten gedurende de hele wedstrijd worden gedragen.

4.2

Caps moeten veerkrachtige oorbeschermers hebben in dezelfde kleur als de caps van het team.

4.3

Caps zijn aan beide zijden genummerd met nummers van 0,10 meter hoog. De keeper draagt een rode cap met nr. 1 en de reservekeeper draagt een rode cap met nr. 13. De andere caps zijn genummerd van 2 tot en met 14 (zonder 13 dus). Het is niet toegestaan dat een speler tijdens de wedstrijd van cap nummer wisselt, behalve met toestemming van een scheidsrechter en na kennisgeving aan de secretaris.

Bijlage 4, spelregel 4.3 · Capnummer bij één of twee keepers

Indien er slechts één keeper aan een wedstrijd meedoet, dan moet deze de cap met nummer 1 dragen. Pas als een tweede keeper meespeelt, mag deze cap nummer 13 dragen.

Bekijk Situatie 5 →

4.4

Bij internationale wedstrijden hebben de caps op de voorkant de internationale drie-letterige landcode en mogen de caps de nationale vlag hebben. De landcode is 0,04 meter hoog.

ZICHTBARE KLOKKEN

5.1

Elke zichtbare klok geeft de tijd aflopend aan.

Bron: “Spelregels Waterpolo”, versie 1.4, augustus 2026, Bijlage 4, pagina’s 28–30. De nummering van de hoofdregels blijft ongewijzigd.

← Terug naar de spelregels